• NL
  • ENG
  • Home
  • Boeken
  • Publicaties
  • Po√ęzie
  • Nieuws
  • Biografie
  • Links

  • Bestel hier

    TER NAGEDACHTENIS VAN PAUL CELAN

    Een poëziecyclus van Antoon Van den Braembussche

    Illustraties door Theo De Smedt

    Toelichting.

    Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij Oekraïne.
    Celans jeugd werd getekend door antisemitisme. Tijdens de Russische en later Duitse bezetting werd hij tot drie keer gedwongen van school en universiteit te veranderen.
    Na het uitbreken van de oorlog werden meer dan 3000 vooraanstaande joden uit de streek vermoord, 45.000 mensen werden gedwongen in een getto te leven.
    In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd. Zijn vader overleed er als gevolg van tyfus en zijn moeder werd er met een nekschot gedood. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog.
    Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1848 in Parijs, waar hij werkzaam was als dichter, vertaler en doceerde aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure.
    Aanvankelijk werd Celan vanwege zijn poëzie bejubeld, maar later werd hij van plagiaat beschuldigd. Celan reageerde met wantrouwen en teleurstelling. Dat hij overlevende van een volkerenmoord was, veroorzaakte bij hem gevoelens van schuld en wanhoop. De hevige depressies en spanningen die zulks met zich meebrachten, leidden er uiteindelijk toe dat hij op 20 april 1970 zichzelf van het leven beroofde door in de Seine te springen.

    Momenteel wordt Paul Celan door velen als de belangrijkste Joodse dichter beschouwd, die de thematiek van de Holocaust in gedichten gestalte gaf.

    In deze gedichtencyclus worden toespelingen gemaakt op zijn jeugd in Czernowitz, op zijn traumatische ervaring in het werkkamp en zijn fatale sprong in de Seine.
    De versregel ‘het gouden haar van Margaretha’ verwijst naar een vers uit zijn beroemd gedicht “Todesfuge” uit 1945.
    Anselm Kiefer heeft dit vers op eigenzinnige wijze verbeeld in zijn schilderij:
    Dein goldenes Haar, Margarete, uit 1981.

    ENKELE PERSSTEMMEN

    Elke Müller over Kant-tekeningen

    Tegen deze ‘achtergrond’ is het mogelijk om de dichtbundel aan een nadere analyse te onderwerpen in relatie tot de leeservaring. De bundel weet op vele niveaus omcirkelende bewegingen te trekken. Bijvoorbeeld in de dialoog tussen de gedichten en litho’s is sprake van Kant-tekeningen in dubbele zin: niet alleen verwijst de titel naar ‘gedichten in de marge van reeds bestaande litho’s’, maar ook naar ‘litho’s in de marge van reeds bestaande gedichten’. Beide vestigen zich materieel in en op elkaars kader. Van den Braembussche creëerde de gedichten uit het eerste deel volgens een letterlijk ‘denken en dichten in de marge’ procedé. Hij ging aan de slag met de losse kleurenafdrukken van de litho’s door woorden, clusters van woorden en metaforen die spontaan bij hem opkwamen in de ‘kantlijn’ te schrijven. Kant-tekeningen verwijst dus naar de letterlijke betekenis van het woord ‘kanttekening’. Ook in intellectuele zin. Waar Derrida een dialoog aangaat met Kant, herneemt Van den Braembussche deze dialoog op ‘parergonale wijze’ in een grotere cirkel, door ook Celan en Derrida met elkaar te confronteren. Beide auteurs zijn verankerd in de joods-christelijke traditie en delen ieder op hun eigen manier – de een dichter, de ander filosoof – het verlangen naar de verwoording van het onzegbare.
    Zie verder voor deze diepgaande bespreking hier

    Anselm Kiefer Dein goldenes Haar, Magarethe

    De eerste twee regels van het vierde gedicht verwijzen naar de bekende uitspraak van Theodor Adorno, die in 1951 schreef: “een gedicht schrijven na Auschwitz is barbaars…’, een uitspraak waarmee hij wilde aangeven dat de Holocaust de wereld zodanig had onttoverd, dat het onmogelijk was om hierover een gedicht te schrijven.

    Paul Celan Cyclus

    I

    Het ongedachte in duizend gedachten.
    Het onzichtbare in duizend gedachten.

    Liederen zingen aan gene zijde
    Van de mensen.
    Aan gene zijde van het waarheen,
    Waartoe en waarom.

    Geluidsduistere
    Oerschreeuw
    In geestesblinde uithoeken
    Van wat ooit het bestaan was:

    De geluidloze versperring,
    De prikkeldraad rond het kamp,
    Het raster in de eigen,
    Ogenloze terugblik:
    Blinde herinnering.

    CELAN 1

    II

    Wat ooit het bestaan was,
    Het onbestaande.
    De onzegbaar-verminkte
    Falsetto
    In het struikgewas.

    Wat ooit, ja ooit
    In de Tristesse van het ogenblik
    In mummie-verdachte
    Longzware nachtwake
    De zenuwen brak.

    En kristalliseerde tot stilte,
    Gevederd, ontvederd,
    Aangedaan, ontdaan,
    Tot ver voorbij

    Elk woud,
    Elk woord,
    En het steeds aanwezige:

    Het zichtbare, onuitroeibare
    Van huid en haar,
    En de troosteloze horizon.

    CELAN 2

    III

    De prikkeldraad in Cernowitz
    Was niet dezelfde als
    Die er later was:
    De zon scheen anders toen.

    Over de soepblikken hing ik
    Stankonthecht;
    Er was geen eerder en geen later,
    Geen geur in de steenmuts,
    In het steengelaat van de tijd.

    Stenen herinnering. Steenonthutst
    In de bedrieglijke verstening
    Waarin het wonder woord wordt
    En verwonding. Verwonding.

    Jouw gelaat tegen de steenranden.
    Je mooie gelaat
    Tegen de ontmaagde flanken
    Van de horizon

    Schimmelgroene angst,
    Die openbarst tussen barak
    En prikkeldraad.

    Wanneer de mens een schaduw wordt
    Dromend van de schaduw,
    Die hij ooit was.

    CELAN 3

    IV

    Hoe een gedicht te schrijven
    na Auschwitz?
    Het woord ontvouwt zich niet,
    Maar krimpt
    In bladnerven angst,
    In de ontworteling van het ogenblik.

    De menhirs van herinnering,
    Beroerd en onberoerd,
    Door tijd,
    Een onbestaande tijd,
    Waarin ik je naam
    Niet langer herinner.

    De menhirs groeten mijn vergeten,
    De massada-heuvel die bloedt
    En kermt in je venushaar:
    Een jobstijding
    Even Joods als naamloos,
    Even onwaarachtig als
    Versteend en wezenloos.

    CELAN 4

    V

    Het zwarte licht
    De zwarte melk van de dageraad.
    Sneeuwblinde dagen,
    De verlokking van de Seine,
    De sprong in de duisternis.

    Licht zonder duisternis,
    Duisternis zonder licht:
    Het helle licht van de dood,
    Het goudgele haar van Margerete.

    Woorddronken begeef ik me
    Naar de dood.

    De gouden tempel van je baarmoeder
    Omsluit en ontsluit me:
    Het water drinkt mijn ingewanden,
    Drinkt het licht van je ogen
    En de laatste, allerlaatste
    Lichtkegels herinnering en mystiek

    CELAN 5

    VI

    Gedenk mij niet,
    Maar gedenk het gedenken:
    De nachttijd van mijn poëzie,
    De droomtijd die me restte.

    Want ik heb alleen
    In de nacht geleefd.

    Alleen in de nacht
    Nam ik bezit van de tijd
    En heb ik waarlijk liefgehad

    CELAN 6