• NL
  • ENG
  • Home
  • Boeken
  • Publicaties
  • Po√ęzie
  • Nieuws
  • Biografie
  • Links

  • IN HET VOORBIJGAAN

    Auteur: Tonko Brem
    Uitgever: Uitgeverij Contramine
    Gepubliceerd: 1985
    Aan Arlette opgedragen

    ZEGSWIJZEN

    « Je t'ai faite à la taille de ma solitude
    Le monde entier pour se cacher
    Des jours et nuits pour se comprendre »

    (Paul Eluard)


    IN HET VOORBIJGAAN

    Niet zoals ik dacht dat ik geboren was.
    Niet zoals ik dacht, verkeerde jij met gesloten ogen
    in een wereld die niet de mijne was.

    Elke vrouw die ik kende en bekende, had gelogen
    met een lichaam dat groter dan het mededogen
    nadien niet meer bleek dan een hand vol as. 

    Spijts alles dacht ik dat ik iets bezat.
    Elke vraag, elk antwoord ging van het lichaam
    uit en momplede in een mond vol honger om wat
    jij me later, veel later gaf. In het voorbijgaan.

    Niet zoals ik dacht, dat ik geboren was.
    Niet zoals ik dacht, gaf jij me in het voorbijgaan
    een wereld die uiteindelijk de mijne was. 




    FLASH BACK

    Met het gebroken oogwit van een al te vroege weemoed,
    met de ampere nasmaak van een hartstochtelijk speeksel,
    bestudeer ik jouw profiel in ons souterrain.

    Onstuimig was mijn wanbeheer in vroegere tijden.
    Toen ik in mijn dagboek de zilverstukken crediteerde
    van makkelijk bereikbare, zogenaamd fatale vrouwen.

    En dan waren er nog de etensresten,
    waarvan ik leefde,
    in het hart van een oude, vervallen stad.

    Als kind, toen wij cricket improviseerden in het gras
    en later nog, in de hooigeur van een boerderij rond Eupen,
    heb ik reeds aan jou gedacht.

    Nu maak ik het saldo op,
    sluit de boeken.
    En bestudeer jouw profiel in ons souterrain.

    Het is lente.
    De forsythia's bloeien manshoog
    in de koele, maar onnavolgbare zon


    HET ONUITZEGBARE


    Er was een werkelijkheid waarin ik,
    voorbarig het lot koesterend, vergat :
    de aantekeningen bij een reis naar Londen.

    Sindsdien heb jij me niet meer verlaten,
    tenzij met ogen van schreiend satijn,
    op ogenblikken dat ik mijn stilte herwon
    en je tot het spelen van sonates dwong.

    Misschien weet ik nog steeds niet waarom
    ik je terugvond op een nacht in oktober,
    glanzend en mild, met open mond,
    ontvankelijk en gekwetst, tot op het gebeente.

    Nooit zal ik weten waarom ik je toen opnam
    als een naakt van Gauguin
    en je zachtjes en breekbaar binnendroeg
    in het Tahiti van mijn meest voltooide droom.

    Want de droom blijft eens en voor altijd
    het antwoord schuldig en zwijgt alom.

    Wie ooit liefhad, weet en vraagt niet waarom.


    ANDERS DAN VOORHEEN

    Voor Ybe

    Niet eerder dan jij zou weggaan, ging ik heen
    en dacht en zweeg. Anders dan voorheen.
    Niet voordat elke gedachte in onzekerheid verdween,

    Zweeg ik en ging langzaam weg. Anders dan voorheen,
    Nauwelijks wist ik van je tederheid die ik op benen,
    als pasgebroken bloemen, had genaderd.

    Niet eerder dan jij zou weggaan, ging ik heen
    Nog vóór ik mezelf in je lach had herkend
    en elke idee in zekerheid en vertwijfeling verdween.

    Niet eerder dan jij zou weggaan, ging ik heen.
    Want voor wie eens de oceaan zag, is niets nog
    water en alles anders. Anders dan voorheen.


    DICHTEN EN DENKEN

    RIJPINGSPROCES

    Elk woord een overwinning op het krijtwitte nihil,
    een zoeken naar tastzin
    of de toetsing van een vaag vermoeden
    waarin ik jij word in een voorvoelde
    en doordachte vrije val.

    Zo zoek ik naar zwaartekracht in het luchtledige,
    de onevenredigheid van geveolens, waarin ik
    gedachten blaas,
    de onevenredigheid van gedachten, waaraan ik
    gevoelens toeken.

    Enkel in het bedachtzaam beminnen
    wordt het woord
    een klemhaak in het ongewisse,
    terwijl het gedicht rijpt in louter machtsmisbruik.


    WAAROVER MEN NIET SPREKEN KAN, MOET MEN ZWIJGEN

    De eindeloze nachten van de rede
    zijn de vrede niet, noch het leven.

    Niet meer dan een breedsprakerige aarzeling
    en een pogen tot overwinning van het niets
    dat onverhoeds en steevast terugkeert
    als een boemerang
    in de bladstille verbijstering

    Met gekruiste armen staar ik in de gedachte
    die als een rivier voorbijstroomt:

    niets anders rest me
    dan een onbewogen zwijgen in mystiek


    STATUS QUAESTIONIS

    Waartoe zal ik me neigen
    naar het woord en met naakte kalmte 
    het lijden aanwakkeren
    waarover ik spreken noch denken dorst?
    Waarop ik danste als over een lijk
    eertijds, met bacchanale vreugde
    en een handvol baldadigheid nog.

    Zeg mij, waartoe dit wandelen
    over eigen wonden dient?
    Zeg mij, wat is de zin van het gedicht
    dat enkel begint en eindigt
    in een breed en onverdicht verdriet? 


    DE VOORGESCHIEDENIS VAN HET WOORD

    Al stervend heb ik beleden
    het langzame licht der verveling. 
    Ongehoord soms en vaak onbeschreven
    zoals ik weemoedig met het woord verging
    en de zwijgzame glans van dieren.

    Men heeft gezegd: het leven in loutering te vieren,
    tot hoogtij van de eenzame hoogte
    en de laagtij van de zachte roem,
    waarop ik mij beroep, in momenten van chloor
    die stijgt in het witte bloed.

    Ikzelf heb niets gezegd.
    Maar al stervend heb ik het leven
    gelicht uit verveling
    en in stilte te week gelegd.

    En, voorwaar, nu en dan gebeurde het
    dat een woord werkelijk tot leven kwam.


    KORTE ZIJNSLEER

    Ik denk dat sommigen onder ons
    in alles reeds pure wanhoop verrekenen.
    Het einde van de geschiedenis
    zal het einde van het heelal,
    het niets zal niets anders dan niets,
    een leven niet meer dan een oogopslag
    betekenen.

    Misschien zal op een dag
    alles wat ooit gedacht en gedroomd werd
    maar een kwinkslag blijken, een lach
    waaromheen de stilte versteend is. 

    Opnieuw zal blijken hoe sommigen onder ons
    de liefde veroordeelden tot een mummie
    van het laatste ogenblik; een klomp
    verstand, vermengd met duizend bevroren lelies.

    De wereld zal ooit eens vergaan, zo zegt men,
    en met haar alles wat ooit gedacht en gedroomd,
    alles wat ooit geleden en beleden is.

    Niets zal bestand blijken:
    ook niet het woord en zijn betekenis.

    We zullen zeggen: kijk, dit is de leegte,
    maar zelfs de leegte zal niet meer zijn
    wat ze nu nog is.


    EEN DICHTER SPREEKT

    Te vondeling gelegd in sprekend zilver
    zwijg ik sinds jaar en dag en vergaar
    met uitdagende zachtheid
    de vele geheimen uit het Oosten.

    Het wijze nageslacht van te vroeg geboren keizers
    zwijgt in me
    met de wereldvreemde stem van een onmondig meisje
    dat ruikt naar lavendel en verdriet.

    Ik heb het zwijgen als een kluizenaar beoefend,
    tenslotte in mijn stilte
    het stamelen herkend van een eeuwenoud dichter.
    En behoedzaam sijpelde liefde in mijn nog
    onuitgesproken woorden door: een wijze nacht
    waarin alleen het denken drachtig
    het gedicht tot maagdelijk mijmeren wordt.


    MISE EN PRESENCE

    Soms heb ik gehavend het spel gespeeld: 
    op een nachtelijk boudoir
    om liefde gevraagd, baldadig en blauw
    van eenzaamheid.

    En niet zelden kwam het voor
    dat elke aanraking een vrijbrief werd
    voor mijn vergetelheid.
    Want ook ik treed in opstand tegen de tijd,
    zodra de morgen aanmoddert
    en schriftgeleerden het boek verklaren
    waarin alle burgers
    nauwgezet hun proza plaatsen.

    Mijn levensgang zal altoos zijn,
    in taal en teken,
    in tandeloos samenzijn;
    de onmacht van de tegenwoordigheid.

    Men zal zeggen: deze dichter 
    heeft bevroren vingers, zijn pen breekt
    wanneer hij gedichten schrijft.

    Maar ik zal mijn onmacht overwinnen
    en met een penseel in de mond
    de poëzie schilderen
    die de wereld nodig heeft. 


    NAAR ALOUDE DICHTERS

    VILLANELLE VAN DE ONVRUCHTBARE VROUW

    Zoals altijd draag ik het vermeende kind
    in mijn gesloten armen met me mee.
    En ik staar me in de kinderkamer blind.

    Elke zotskap en speelgoedbeer die ik vind
    hou ik in leven als een weegbree.
    Zoals altijd draag ik het vermeende kind.

    Hoe mijn vagina ruikt naar ziltig grind.
    Hoe mijn haar mild is als de zee!
    En ik staar me in de kinderkamer blind. 

    Soms is mijn buiksprekerspop een windekind
    maar niet alles in mijn droom zingt met me mee:
    zoals altijd draag ik het vermeende kind.

    Zie, in de zijden wieg beweegt een kind, 
    maar nee, het is de wind als een barenswee.
    En ik staar me in de kinderkamer blind.

    Waarachtig, er is in mijn buik een poes die spint.
    Misschien is het niet meer dan een idee.
    Zoals altijd draag ik het vermeende kind
    en staar ik me in de kinderkamer blind. 



    IMPOTENTIE

    Tenslotte is er niets in mij dat jou ontziet,
    ten voeten uit, tot barstens toe,
    maar een keizersnede vind ik niet.

    En ik beitel voor jou een kind uit het Niet,
    op het rad van de schemer, de nachten moe.
    Tenslotte is er niets in mij dat jou ontziet.

    Jij zegt: "Er is niets dat onze liefde biedt.
    Je pik verkrampt al naderend toe,
    en voorwaar, een keizersnede vind je niet".

    Maar, hoor, hoor, er is 'n eeuwenoud verdriet
    dat mij ontkracht tot in mijn roe.
    Tenslotte is er niets in mij dat jou ontziet. 

    Als een wildzang bezet ik jouw gebied, 
    mijn bloeddorst eigent zich je lichaam toe.
    Tenslotte is er niets in mij dat jou ontziet
    maar een keizersnede vind ik niet.



    GEDICHT VAN GOEDEN BLOEDE

    Het kind droeg de blijde bloemen der goedheid
    in de zonderlinge zomer rond.
    Het kind liep de hangende tuinen in en wees 
    met verwondering naar de opkomende zon.

    Het huis herbergde nog nauwelijks de vader en moeder
    die koffie dronken en het kind nakeken
    dat zij van goeden bloede wisten.

    Het kind was mild als de zee en kon dagenlang
    verblijven in de lijdzame vloed van hun vlees.
    Ook bij thuiskomst wees het kind koel en mooi
    en met verwondering naar de neergaande zon.



    GEDICHT GESCHREVEN MET ZUIVER WATER

    De Vader, de Moeder, de Dochter en het kind
    leefden te zamen in de huiskamer. 
    Ze gingen nooit naar buiten.
    Ze aten en dronken niet.
    Ze leefden van elkaar.

    Ze bezworen niets en niemand 
    en hielden de bloemen in leven
    met zuiver water.
    Ze hielden zichzelf
    een weinig bewogen in leven
    met de lach van het kind.

    En wanneer er bezoekers kwamen 
    dan werden die toegesproken 
    met zachte gebaren.
    En wanneer er bezoekers kwamen
    dan werden die
    met goedheid behandeld.

    Het huis werd stilaan een rustplaats
    want men kon er levend sterven
    en stilte horen spreken
    en 's avonds de zon zien.
    Het kind knielde toen telkens weer 
    te midden van de huiskamer en lachte
    de Vader, de Moeder, de Dochter toe.
    De dochter had het kind gebaard.
    Ze was gelukkig met het kind.

    De Vader, de Moeder, de Dochter en het kind
    leefden te zamen in de huiskamer.
    Ze aten en dronken niet.
    Ze leefden van elkaar.
    En wanneer er bezoekers kwamen 
    dan werden die met goedheid behandeld.


    ORAKEL

    I

    Gij zult de langzame lafenis van de bloedkoraal ontberen.
    En dan sterven. Onverrichterzake.
    Mij zult gij achterlaten, in woorden zal ik verweren.
    De ochtend, een blauw en bandeloos braken,
    zal in mij stilstaan als de stilste steen.
    En klagen. Misschien zal iemand me vergezellen,
    wanneer ik aan de dagen de dans ontleen
    en waaruit mijn kracht zal spreken sereen,
    terwijl ik allengs zal samenstellen,
    het uur, de duur en de beweging eromheen.


    II

    Gij zult de zilte nasmaak van de zee bezweren.
    En verbleken. Met een mond vol jicht.
    Met braaksel en honing zal ik u verteren,
    glinsterend als een vissersnet in treurig maanlicht.
    De uitputting nabij zal ik u de rug toekeren,
    uw ziel te gelde makend in een pandjeshuis.
    En verzilveren zal ik de tederheid van de vrouw,
    het genot, de zachte verspreking van het vuur.


    III

    Dodelijk zal ik aldus de eerste morgen bevrijden
    uit de salvo's van speeksel en verdriet,
    Gij zult mij niet meer herkennen in het uur
    dat verdicht tot een blond en bloedend kruis.
    Verkalken zal uw aanlokkelijk lispelen om berouw.
    Want mijn dag zal met de laatste der bedoeïnen gedijen
    in een woestijn van vrede en graniet.
    Ik zal mijn geliefde toespreken sinister. Oneindig.
    Onder een sarcofaag vol licht en muziek. Oneindig.


    MOMENTOPNAMEN VAN HET EIGEN ZELF

    ZELFVERHEFFING

    Wat zacht en moeiteloos werd vermoord
    tussen de vlierbomen en de schandpaal van mijn jeugd,
    tussen je geluidloze lichaam en mijn onbezonnen woord.
    Wat omzichtig werd gedood als wildgroei en ondeugd:

    de oorspronkelijke wanhoop in een onbegonnen tijd.
    Wezenloos starend legde ik een vuur aan,
    knetterend als een kind vol onbekende eenzaamheid
    en waarin ik de dromen koesteren kon waaraan

    ik me sindsdien genas, als een ongenode,
    bij de gratie van het onvervulde.
    Want gedood worden alleen de doden

    door schaamte, waaruit ik ontwaak, onverdroten,
    oog in oog met je voor altijd verhulde 
    slaap en als de mooiste onder de goden.


    ZELFVERTWIJFELING

    Misschien heb ik je niet eens liefgehad, 
    was ik enkel maar behekst door het woord,
    enkel maar bezeten van het eigen lichaam,
    zodat ik de bloemen en tederheid erbij dacht.

    Misschien was ik niet meer dan een droom
    van mezelf en de wereld waarin ik leefde
    en zei je lief te hebben, zonder jou
    te kennen, te doorgronden of te omfloersen.

    Misschien was ik voor jou slechts de nacht,
    de jongen die zich graag naakt toonde
    maar zich nooit bloot gaf. Niet één keer.

    Misschien was ik wel één en al Schroom,
    zodet ik ween nu om het onvermogen
    heel mijn verdere leven. Samen met jou.


    ZELFPORTRET

    Maar ik had moeilijk anders kunnen zijn, 
    want uit franjes en fragmenten besta ik 
    en val uiteen. Bij de eerste zucht van pijn.
    De kracht noch het vermogen bezat ik

    Om te belichamen wat jij van me dacht,
    in mij meende te zien of te vinden :
    een Adonis, donkermooi als de nacht
    en met blinde aders als van een beminde.

    Maar slechts de schaduw van je idee,
    de schaduw van de schaduw ervan en minder,
    minder nog was ik. Een zilveren snee,

    die eens begon te spreken en de stilte 
    van je lippen werd, je onmoemelijk-milde
    lippen die smeekten om meer en meer.



    MIJN POSTHUME TEDERHEID

    Elk woord was als de bandeloze zee
    waarin ik zacht en brooddronken schuilging.
    Een langzame uitputting. Een speelse waanzin.

    Alleen de zee, alleen het water was me na.
    Blindelings danste ik de goldbrekers langs,
    op zoek naar de bladstille extase.

    Maar steeds strandde ik in onbegaanbare aarde.
    En steeds verbrande ik, oog na oog,
    met lippen vol hitte en kolkende zon.

    Alleen jij hurkte neer rond het kampvuur
    van mijn vervreemding. En leerde me opnieuw
    hoe ik al ziende tot mezelf moest komen.

    In het brailleschrift van je tederheid.




    Toen brak de winter van mijn koninkrijk aan
    en allerwegen dook het nergens op.
    En ik wist niet langer wie ik was,

    of altijd al had willen zijn.
    De algebra van mijn eenzaamheid
    liet ik door anderen ontcijferen.

    Terwijl het gedicht, waaraan ik me ooit
    barbaars genas, me achterliet als een vrouw 
    in brandend struikgewas.

    En zingend, zacht en onhandig weliswaar,
    maar oordeelkundig, met mijn handen in je haar,
    werd ik de stille osmose van je bloed :

    de stille Zuidzee van je onopgemerkt beminnen.




    Niet steeds heb ik uitermate goed beseft
    da oprechtheid van je lichaam, je ogen
    waarin ik de kracht van de hele wereld herken.

    Schipperen zoals ik deed, zo deed niemand
    tussen twijfel en overgave.
    En desondanks ward aldus mijn taal geboren.

    Daarom dat ik bij de gratie van een melodie besta 
    die toeschouwer wordt, vraaggesprek
    over de altijd eender bewegnde vingertoppen

    En waaruit als leidmotief onstaat :
    ja gedroomde lichaam en mijn
    altijd weer posthume tederheid.


    COLOFON

    De dichtbundel "In het voorbijgaan" van Tonko Brem verscheen in
    de maand februari 1985 als zesenvijftigste nummer in de poëzireeks
    van de Uitgaven Contramine v.z.w.

    Copyright 1985, by Tonko Brem & Tony Rombouts