• NL
  • ENG
  • Home
  • Boeken
  • Publicaties
  • Po√ęzie
  • Nieuws
  • Biografie
  • Links

  • Liefdesverklaring

    Auteur: Tonko Brem
    Uitgever: Yang Poëziereeks
    Gepubliceerd: 1979
    "L'amour, c'est l'innocence éternelle,
    et l'unique innocense est de ne pas penser."

                                                   (Fernando Pessoa)

    GEBOORTELAND

    (Eeklo, juli-aug. 1967)

    Zo heb ik de waarheid die ontpopte
    omhelsd in een rups, later in een vlinder
    met een lichaam van louter water.
    Ook in de kinderarmen van de aarde
    werd ik warmbloeds vloeibaar.

    Niemand die ik dromen kon 
    wist iets van mijn koningskoorts.

    Ik herken noch het akkerhout, noch het alsemkruid
    ik heb niet alleen een land verloren
    maar ook mijn geheimen, mijn herkomst en mijn kinderdromen
    al bleef de zon dezelfde.

    Omdat ik geworden ben
    een wandelende tak, een krakende laars
    een tot puin geworden edelsteen
    gebarsten is mijn heiligbeen.

    Niets is het dat ik bewonen kom.
    Al laait de aarde in me om en om.


    VERGEZICHT

    Nog wordt er stro in schoven gebonden.
    Nog tasten kinderen onder een hooitmijt verborgen
    naar wat zij van elkander nog niet kennen konden.

    De aarde valt. De boer kijkt om. En "Morgen,
    zal het zondag zijn", zegt hij, "ja, morgen".

    En over mijn witte liefde gebogen
    kan ik het smachtend koren 
    van haar adem en mijn adem horen.

    De kamer krijgt tongen en ogen.
    En in een vrije val van woorden
    eindig ik roeiend in de mond van haar licht
    vervloeiend tot een vergezicht.

    Ik vier overal mijn geboorte.
    Met hoofse gebaren: de handen; de zij.

    Morgen zitten er vogels in de voren.
    Morgen zal mijn liefste van licht geworden mij bekoren.


    GEBOORTELAND

    Je kan de zomer van de vlierboom horen
    al zijn de waterbeken toegedicht,
    de bunkers opgeblazen en de bloedende kemphanen
    afgericht.

    Je streelt mijn pels
    van een muskushert vol vrede.
    Terwijl ik wadend als een goudplevier
    nader tot de phaiaken van het licht
    met een lichaam als handschrift
    van zon en vrede
    en onteigend in woord en ingewand.

    Het weiland dat moeras werd
    krijgt een lichaam en tekent zich van de schaduw af.
    Nu jij licht word en ik de vrede
    wordt de aarde weer zacht en vlezig
    zodat wij ons weldadig en uitzinnig 
    in hetzelfde vlees verschansen
    versmeltend tot geboorteland.


    DE LAATSTE SAMARITAANSE

    Je meisjeskruid waarin ik de ranonkels ruik
    en de varens waartussen ik als kleine jongen liep.
    Je korenaren haren zijn okerkleurig als de aarde
    waar ik overeind mijn hoop in adem.

    Zoals je gaat getuig je van genade.
    Want je draagt de larve van het licht
    zo buigzaam en zelfgericht
    als een rivier die naar de bron verdicht.

    Wanneer ik je raak raak ik mijn herkomst aan
    zodat ik geblinddoekt me allengs verwijder
    doorheen het dansend foedraal van de velden.

    De kokons van de zijderups verspinnend
    maak ik me een gewaad van licht
    terwijl jij met het teugelloze leven 
    in je zachtgroeiend lichaam
    gedragen verdergaat.


    VERSPREIDE GEDICHTEN

    (1968-'78)

    DE KOSMOPOLIET EN ZIJN LICHAAM

    een kongres van ogen en leden komponeert
    een melodie vol obscene konkurrentie en 
    een totaal nieuuw koncept van beweging en klank

    men groet zijn evennaaste
    men kaffert zijn eigen zenuwen uit
    men sluit een kompromis met de muziek 
    die in een zeldzaam geurend meisje
    de stank van de wereld dempt

    men legt vermoeid zijn organen op tafel
    men is ontevreden over de belichting
    men herkent zijn maag niet meer
    waarin een groene specie bacillen verleidt

    maar uiterlijk blijft men doortrappelen
    op de wenteltrap die van carracas
    naar parijs leidt van hongkong naar reykjavik
    (elke stad een vermolmde trede,
    de wereldburger een houtworm)

    de melodie vormt een ketting van strakgespannen
    en eenzame zenuwvezels
    het geslacht klapwiekt op de maat van de dorst

    aan de ogen en leden wordt niet voldaan
    eenmaal ze door de drift en levenshonger
    beroerd worden en ongeremd op hol slaan

    het geweld van paarden is niets vergeleken bij
    deze ontstellende verwarring


    STADSTAFEREEL

    een stijgend percentage krankzinnigheid
    ontvouwt zijn russische heimwee
    in mijn van melk druipend silhouet

    de zon zijgt bloedend neer in de metallieke
    schoot van de stad
    waarin de gebouwen koortsachtig sidderen
    terwijl hun gevels grauw verschilferen
    en het marktplein beploegd wordt
    door misnoegde boeren

    in het stadhuis woont een neurotikus
    die op zichzelf een bomaanslag wil plegen

    een falanks witte paters stormt de kathedraal
    binnen en houdt een topkonferentie
    aangaande "Aangaande het verval des geloofs"

    de abt in een toga van pauweveren
    mimeert als een middeleeuwse hofnar
    "De Vreze Gods" en verliest zodoende
    zijn pluimen en theologische diepgang

    de stad het verval de waanzin de drukte
    alles versteent wanneer bij de eerste schemering
    een koude golf aan Gods toorn ontsnapt


    EEN HEILIGE

    Haar handen lagen broodmager op het raamkozijn.
    Door het zonlicht beschenen leken ze
    inwendige warmte uit te seinen
    naar een verre wereld of een vreemde planeet.

    Ik hield van haar zoals men van een stille,
    eerbiedwaardige hond kan houden.
    Ik schuwde haar want ze scheen al de schaamte
    die menselijk en onmenselijk is
    op haar schouders te torsen.
    Precies daarom bewoog ze zo moeilijk.

    Haar handen zwollen soms gewelddadig op.
    Dan kreeg ze een paarse of diepgroene weerschijn.
    Dan werd ze telkens weer bedrijving,
    ze maakte b.v. een overvloedige maaltijd klaar.

    Maar nooit sprak ze of gaf ze aanstoot.
    Nooit keek ze iemand of iets wérkelijk aan.
    Ze leefde enkel een innerlijk leven,
    dat dicht bij de dood stond maar nooit
    de doodsstrijd kende,
    en van zelfmoord was ze ver verwijderd.

    Telkens ik het aandurfde haar handen aan te raken
    werd ik vederlicht en van een tintelende substantie.
    Dan ging ik stil heen, sprakeloos en armzalig,
    maar voor het leven en de dood toegerust met bloed.


    DANCE MACABRE

    Naast het bed, de deurpost langs, wankelt zij
    mijn naaktdonkere danaïde met haar koortsachtige lans.

    Geen gebaar is zo onontwijd als haar dans
    alsof zij luchtledige ingewanden had, en waar
    canapé's van liegend dons warm zijn en zalig
    daar sijpelt in haar schede de weke vloeistof door
    vol kleurenblind genot.

    Nooit zal zij me op de juiste maat bezitten.
    En elke verklaring houdt hier stand.
    Want zo onlesbaar is het zijn dat ze draagt,
    als een uittredende vrucht,
    als een bodemloos vat,
    als een beweging.

    En buiten, verder dan deze huidkeelse kamer,
    stevent de korenruiter, de lijkenheuvels langs,
    steeds opnieuw terug naar de vuurspuwende bron.


    UNE VRAIE DIANE

    Laat ons spelemeien en petunia's plukken!
    Laat ons hurken, verstenen in geluk
    terwijl een aureool de heilige verstarring 
    opluistert !

    Brandoffer wordt je glimlach,
    een gerimpelde zeehond smelt in je bonzende buik !

    Ik onarm je :
    een viervoetige stotteraar in de armen van Morpheus.

    Ik ruik whisky in je geurige oksel,
    een genadeloos lucullusmaal wordt in je
    elegische ingewanden aan glimwormen opgediend.
    Uit je flanken sijpelt de overvloed,
    in je boezem pulseert de eivolle overgave.

    Gehoorzaam, op geruisloze stelten,
    betreed ik de parabel van je lichaam.
    Allezins voorgoed,
    onderga ik je maritieme stomingen,
    je geheime sekreties,
    je Pruisisch-blauwe bloed.



    TERREINWINST

    langzaam brak jij in je innige wouden
    blond en bloedend loodste jij me binnen
    in een landschap vol bezeten koren

    alom welig wou ik boudweg van je houden
    uit mijn kruinen sloegen de bomen
    van oudsher de blauwe behoeften

    langzaam driemaal sneller dan mijn poriën
    het heulsap van je vreugde molken
    gaf jij je over aan mijn woordeloze wortels

    zoals nu in mijn tuinen als op tollen kruiden wellen
    en moegedronken merels het genot fotograferen
    noem ik je
    mijn blinde hinde je leende gretig

    van de roze avondval van je aquarellen flanken
    bezit ik nog de gierende geuren
    nog sta ik er middenin en kan er niet om treuren


    MAAGDENSTAAT

    ongeroerd zit jij als een opgerichte larve
    in ons interieur dat naar
    lindebloesems ruikt

    alsof je al eeuwen
    op een kunstmatige inseminatie wacht
    alsof je op rechterlijk bevel
    je lach hebt ingesponnen

    terwijl je al onze aangrijpingspunten
    hetzelfde ingewand hebt toebedacht
    en zoveel geluk aanwijsbaar hebt gemaakt 

    nu ik me van je afwend beoefen ik het tongwerk der verzaking
    terwijl ik onderhevig aan je aantrekkingkracht
    me telkens weer onweerbaar aan je zij hervind


    DE KAMER

    Haken blinken aan een pijpenrek.
    De flakons op het buffet
    krijgen zonderlinge halzen.
    Op het tafelblad lig je naakt en uitgestrekt
    en ik bedek je met een brokaten tafeldoek.

    Je lichaam is een oud, en een hard en een groot brood
    in een zak.
    Vroeger verschool jij je in de goudaders
    van één ogenblik.
    Vroeger was je zo klein dat ik je met
    de katjes van de hazelaar bedacht.

    Nooit lag je zoals nu wijdbuikig als een karaf
    te rillen op een tafelblad met een kind
    dat je liever niet verwacht.

    In deze kamer sta ik geluidmakend als water.
    In deze kamer zet ik me naast de sofa neer
    met je barensweeën in mijn hals en ik weet nu
    dat ik steeds van een andere wereld ben geweest.


    NOCTURNE

    Met korstondige vleugels  innig en zelfgericht
    naderen wij luisterend een vallende ster
    die het water kust stiller dan ooit een vogel kon
    de parels van het ras verdwenen licht.

    Ik ben een olijke nachtdwerg en als de schreeuw van de zee 
    is elk woord van je een onstuimige prooi
    om onbedaarlijk van te leven, waar ik
    als een echo weggetoverd aan ontdooi.

    Je leert me met een zeldzaam vuur te spreken.
    Ik weet het is een eeuwenoud verhaal ik heb er 
    als een nachtbraker in huivering heilig voor geleden.

    Ik zeg hoor het zachte kreunen van de bomen
    in Andalusische hunkering.
    Zie, de stad ligt in een put, we zullen haar ontkomen.


    TOEKOMSTBEELD

    In de schaduw van kunststenen rotsen
    drinken geknield de maankleurige vertebrata
    van het synthetische strand.

    Daarna - in de luwte vallend -
    staren zij met verschroomde ogen naar de zee 
    die zich terugtrekt in haar diepmooie baarmoeder.

    Nadat zij nachtelijk omhuld met optisch bedrog
    in de duinen dode vogels verzamelden
    verdwijnen zij moedeloos onder het oog 
    van koel wakende komputers
    in de verbande resten van het land.


    DROOM 46

    Terwijl jij tuurt
    het geduld van kraters gelijk
    versteent je stem
    in een sparrenbos vol lijken.

    Ik kijk weerbarstig toe,
    terwijl kinderen aan je voeten
    hun amandels slijpen
    hun tongen wetten
    en handewrijvend zich tegoed doen 
    aan het spichtige gras.

    Lenig en buigzaam kniel jij
    in je gedachten en dromen neer
    het bos verkleint  en dekt zijn kruinen
    in een schaamteloze vermoeienis toe.

    Jij wijkt terug
    met schreden vol nachtelijke erosie
    in je anarchistisch randgebied.

    Als één van de kinderen dit ziet
    krijgt het de paarse pokken
    en een handvol zacht verdriet.


    NEUSSUS ANNO 1977

    Er is nog de nacht waarin jij me toebehoort.

    Hoewel er de stilte is van wachtkamers
    waarin men stiekem
    de eigen ziekte met deze van andere vergelijkt.
    Hoewel er de verlaten straten zijn 
    waarin hoeren om liefde huilen
    met een handvol sex in de ogen
    verblind en afgepeigerd, afgestompt.

    Er is bijvoorbeeld de gekwetste nereïde
    die in rivieren van smeltend lood
    over Mykeense schachten droomt.

    Er is zoveel dat ik niet bemin.
    Er is daglicht en de voort-
    schrijdende tijd, de verscheurdheid
    in een wereld vol klank en biologie,
    vol dissonantie.

    Over het paard getild: de politici.
    Vergeten en ongewenst : de dichters.

    Er is zoveel dat voorbijgaat
    dat als oorlogen komt en gaat.

    Wat blijft is het vertroeven aan je zijde
    en branden branden doet het Nessuskleed
    en de herinnering aan voorbije tijden.


    LIEFDESVERKLARING

    (Brussel, 1977-'78)

    Voor Arlette

    KAUSALE VERKLARING

    Met de taal van de logika gevederd
    tussen grootsteeds licht en schemering
    heb ik jou aangesproken en vertederd
    en hierin lag de mogelijke kausale verklaring
    waarom ik met jou voor het eerst de nacht ining:
    dat ik het vleesderven schuwde en jouw toewijding
    als tijdsgewricht beleefde in de eigen bewustwording,
    mijn solipsisme dat zichtbaar werd in jouw verering.


    TRAUMDEUTUNG

    Tenslote ben jij in een diepe slaap verzonken,
    terwijl ik, met een glas wijn in de hand,
    aan tafel met mijn bewustzijn zit te pronken
    en van je dromen het innerlijk bestand,
    van je lichtste bewegingen
    en je nederigste geluiden de betekenis
    poog te vatten en het onderling verband.

    Tot in de uiterste geledingen
    van je binnenste koncentreert zich mijn kennis
    totdat zij droomafwaarts zich als een spier ontspant.


    ANONIMITEIT

    Langs onbegroeide wegen
    kom ik op een laat middaguur
    in je lichaam allerwegen
    mijn bloedeigen waanzin tegen.

    Waar anders kan ik me begraven
    terwijl wij alles wat in grenzeloze duur
    ooit geschreven werd aan ons voorbij zien draven
    als een leger witte raven.

    En ik stamel in honderdduizend jaren
    tenzij ik een zeldzame keer
    jou als annus mirabilis definieer.

    Maar de Tijd weet zich om ons heen te scharen
    terwijl elke tussenstap van onze liefdesdaad
    ons in taal en teken onherroepelijk ontgaat.


    KALCIUM

    Met veel moeite heb ik mijn beeldspraak
    tot de oude normen teruggebracht.
    En terwijl ik nu ook soms in de ban geraak
    van het rijm, als offerande van de woordenvloed,
    overwin ik schoorvoetend met behulp
    van het kalciumgehalte in je bloed,
    mijn duizeligheid die in onze tweespraak
    langzaam in het zuiverste vers doodbloedt.

    Ik sterf in jou als in een koele, eenzame tulp.


    ECCE VIR

    Bekijk mij, 
    Sla me gade in de minieme kosmos van je gouden trechter.
    Je weet dat ik jou geheel toebehoor,
    dat ik behoor tot de kabelspoorweg die van de stilte
    naar een kernexplosie leidt,
    van een veerstigste verdieping naar je hoogtevrees
    en dat ik als dusdanig ons geluk belijd.

    Kijk, dit volstaat als uiterste gewaarwording
    die heen en weer reist tussen het kinderparadijs van toen
    en de extatische bevrediging,
    mijn wildemanskruid dat wortelschiet in je sprakeloos plantsoen.


    ATONALITEIT

    in het licht van Voltaires kultuuroptisme
    in het licht van een kraaknette bureaulamp
    en wat Griekse denkers tot spekuleren doemde
    dicht ik, met de meeste hoogachting,
    de verschrikkelijke realiteit een naam toe
    waaraan je geest zich
    op huiveringwekkend vervreemde wijze
    bezeert en ergert doch meteen ook tegoed doet
    in een fraktie van een sekonde of twee

    bij mijn besluit voor eenmaal de natuur
    in wiskundige theorieën te vatten
    gaan je rechtopstaande borsten sidderen
    spreek je mij van reisherinneringen in Tarascon
    en de onduidelijke huisgod in "De Vrek" van Plautus

    toekomst en verleden zitten onontwarbaar hun straftijd uit
    en in onze tweespraak mompelt kamermuziek door
    alsof gedachten kunnen uitsterven in het elegant geluid


    MYSTIFIKATIE

    Hïeroglyfen van mijn aandacht
    kruisen je wakkere blik en vallen uiteen.
    Nu sluit zich heelhuids om mij heen
    het geluid van Mexikaanse graven, een schacht
    in Griekenland.

    De stukgewijs verbrokkelde herinnering 
    waarin het ogenblik wordt ontvlucht 
    in zinloze mythevorming
    houdt blijkbaar stand.

    In en uit mijn lichaam gaat 
    een vrouw die aan mijn abstraktie beantwoordt
    doch niet te vatten is, tenzij in een taaldaad
    waarin het symbolische en legendarische woord
    het zinsverband omspant.

    Op een eenzame Akropolis heb ik vannacht
    het boek Ramayana gelegd.
    Wat in Oost en West aan goden werd beslecht
    en hun onderling bestand
    wordt in jouw aangezicht
    tot wetenschap en eeuwigdurend gedicht.


    IMPASSE

    Ik word door duisternis niet van jou gescheiden,
    noch door licht of een al te hard begeren;
    nu en dan echter ga ik al denkend
    in een punt van het universum verglijden 
    waarin enkel het punt van uitgang zichzelf herkent
    en ik me niet langer naar jou kan keren,
    zolang jij de hele wereld voor me hebt.

    O, het is het denken dat de dood is
    wanneer jij tot keerpunt geworden bent
    en in alledaagse verwondering slechts de herrijzenis
    van mijn bewustzijn beleeft,
    waarin gij niet meer verderleeft.


    METAMORFOSE

    Als een dorpsgeheim de indringer van Strindberg
    zo belaagt elke duur ons samenzijn
    in dit ogenblik waarop ik van mezelf verg
    met jou voor eeuwig dezelfde zijn.

    Want ik verander zoals jij verandert,
    in elk onderdeel van een sekonde
    varieert dat was ons scheidt en samenankert
    en blijft er niets over van wat ons had verbonden
    of dat kan worden teruggebracht
    tot wat er zopas nog werd gedacht.

    Nu, we kennen deze of gene verandering
    en de resultante ervan is heropstanding :
    het samenvallen van kentering en verval, 
    waarin ik mij herken als deel van jouw heelal.


    DICHTERSCHAP

    Doorheen een teleskoop jij toeziet
    hoe ik vanuit mijn oorspronkelijke duisternis
    plots onder overbelichting jou in een lied 
    de namen van verdriet en ergernis toelfluister
    de namen van gisteren en morgen
    waarover dichters redetwisten
    maar die in feite om eenvoud
    van betekenis en woordschikking smeken

    verblind jij toeziet
    hoe ik de namen oversein
    en van pure uitputting wegzink
    in zachte atoommuziek
    en zuiver teken word


    EILAND WORDEN

    Nu ik in je rechtveer met een sprakeloze groet
    de stand der sterren tegemoet, 
    past enkel nog het zwijgen. Terwijl het bloed
    in de aderen stolt, de adem verstrakt, 
    het denken nog slechts in stilte wordt bedacht,
    veeg ik mijn handen aan je onschuld af.
    en ontdoe ik mij van de geprogrammeerde wreedheid
    waarin mijn voorgeslacht zich voortvertakt.

    en schud het stijfsel van de grootstad van me af
    en land in het eiland waarvan jij dacht :
    dit is zeegebied, dit is genegenheid !


    KONFIRMATIE

    langs overdadige bomen 
    bevolkt met lentebloesems
    telde ik één voor één de sprakeloze, lome
    treinen van je ontastbare droesems
    en je weemoedige lach

    de mensen zeggen wel ach
    hij is afwezig als een ontheemde mier
    doch ik zoek thuiskomst
    en wil de met zon begoten hoop beminnen
    waarin liefde en krioelende warmte gonst

    bij mijn thuiskomst lacht de ene na de andere mier
    maar jij, jij laat me droevig en uitnodigend binnen,
    jij ontvangt mij


    ERVARING

    Terwijl jij in de Amerikaanse straat
    het gebrilde negertje gadeslaat
    waavan de boekentas is zoekgeraakt
    ga ik in het ongrijpbaar wonder
    van Rachmaninoffs tweede pianokoncerto onder.

    Mijn geest gonst in veelvuldige abstrakties.
    Even later kom ik bij het getik van breinaalden
    tot mezelf en verklaar je de zoveelste onvertaalde
    ongerieflijke gedachte die langzaam ontkleed wordt,
    en naakt tussen ons tot op het bot
    haar implikaties volgt, haar zaad uitstort.

    Nog later tussen theorie en liefdesspel,
    vecht ik in je lichaam om het behoud van mijn denken,
    totdat ik enkel nog in jouw aandacht wil verdrinken,
    van toets tot klank word in jouw pianospel.


    BOOLEAANSE ALGEBRA

    Op de maat van melodie en getal
    kom ik op een armlengte van je dromen
    overeind te staan
    in nachten die vergaan
    in een wild beginnen en ontkomen.

    En ik sterf aan een teveel aan poëzie.

    Met wetenshappelijke uiteenzettingen
    bezweer ik mijn geval
    en komputeer jouw vertederingen.

    Op handen en voeten begint dan te zingen 
    de Booleaanse algebra van de kleine dingen.


    DROOM

    Tussen een eeuwenoud pelgrimsgraf
    en de voet van een verlaten berg
    komt een vreemd wezen op ons af
    en gestikuleert als met gek geworden merg.
    Een ander, met de balgen dat het als armen
    en ook als benen om de romp heeft steken,
    tracht ons uit alle macht te omarmen.

    De lucht is van zwavel vergeven
    en aan het graf ligt een hoop darmen,
    een blauwgeaderde vorm van leven,
    de vreemde wezens en ons om hulp te smeken.

    Wij vluchten en verschansen ons in een diep bassin.
    De berg kijkt moeizaam toe als de denker van Rodin.


    BLOEDTRANSFUSIE

    Aardegebonden spoken dronken van je bloed,
    zo luidde het, in het oude, mythologisch woordenboek.

    Etherisch en wit slaat elke gedachte van me neer,
    mijn ingekeerdheid laadt zich aan je liefde op.

    Terwijl mijn passie in je lijden woedt,
    op- en ondergaat, valt over mijn lichaam het doek,

    herstelt zich het evenwicht, verspreidt zacht je gemoed
    zich over mijn lichaam als een lendendoek :

    zo gaat het spook bebloosd en gesterkt met bloed
    de kille morgen der burgers tegemoet.


    ARS POETICA

    In vier windstreken met een hand vol gras
    zwaaide jij naar ingebeelde goden.
    Ik kwam er niet meer aan te pas
    en wilde jou met drieëndertig dromen doden.

    Na vijftig dagen kwam jij terug,
    je hergeboorte vierend op een graf van edelsteen.
    De lange miskenning maakte mijn ideeën stug,
    en ongenietbaar, als een overdreven gespierde rug.

    En ik legde me uitgeput neer op je stille mos,
    zacht en hoorbaar het luisteren van je longen
    liefkozend als nooit voorheen.

    In de lenige lus van je lichaam sprong en
    spatte mijn ik in zaad en zweepdiertjes uiteen :
    het woord stamelde, het gedicht kwam los.


    GESCHIEDENIS

    Behoedzaam heb ik een keuze gedaan
    uit de meest oorspronkelijke bronnen :
    je eerste blik, je koortsachtig gaan,
    je latere toewijding en de onontgonnen 
    wijze waarop jij me nu verwondert
    tot in de diepste vezels van mijn bestaan, 
    waarin geen nacht meer afgezonderd
    als een miiddeleeuwse eklips zal ondergaan,
    tenzij als aanloop tot humanisme
    en een werkelijk hoopvolle renaissance.

    Jij bent van het keerpunt de zachte trance,
    van elk tijdperk het anachronisme,
    van elk tijdsdokument het oorzakelijk samengaan
    van herontdekking en ontstaan.


    BERICHT

    Een niet nader te omschrijven omhelzing
    overmant mij en maakt van elke nacht weer
    de al te kortstondige en weergaloze omwenteling
    naar het gele cypergras van onze jeugd
    waarin de geur van Madagaskar gist
    en zich verbindt tot innerlijk verweer.

    Zo stort mijn denken zich als kind verheugd
    in jou die tot vrouw geworden de tranen uitwist
    van een kind dat van ontgoocheling niet meer wist
    of het verder spelen of voorgoed verdwijnen moest in mist.

    's Morgens rijzen in Brussel op het Meiserplein
    of in de Louizalaan de hijskranen voor de buildings
    van het ekologisch onevenwicht. Op de trein
    kaart ik na over liefde en holdings.

    In de krant heb ik, doorheen de berichtgeving,
    je lichaam, je lach en je genegenheid gegist.

    Met mijn individueel nieuws, en het geheim 
    dat ik tussen de letters lees, beschrijf ik ons zijn,
    in dit bericht waarin de politiek haar roeping mist.


    LIEFDESVERKLARING

    Met je volleerde minzaamheid, je droef-zachte handen,
    ondermijnde je mijn koperen burcht.
    Straks, wanneer ik besef wat voor daglicht in me binnendrong,
    zal ik je met de vroegere nachten vol eenzaamheid toedekken.

    En met de tekenen van mijn buitensporigheden
    zal ik je koesteren en liefhebben en kultiveren
    als de regen het uitgedroogde plantsoen,
    de Japanse schilder de horizon, de zee, de samurai en het groen.