• NL
  • ENG
  • Home
  • Boeken
  • Publicaties
  • Poëzie
  • Nieuws
  • Biografie
  • Links

  • Verzwegen verleden, een cyclus

    Auteur: Tonko Brem
    Uitgever: J&J
    Gepubliceerd: 1995
    "Wir sind das Damals,
    auch wenn wir es verwerfen,
    nicht minder als das Heute.
    Die Zeit verwandelt uns nicht.
    Sie enfaltet uns nur".

                                 Max Frisch



    PETITE OUVERTURE À DANSER

    Kom kleine kom kleine
    danseuse om vier uur in de namiddag
    wanneer de zon hoog staat
    en gelukkig maakt.

    En droevig en zwaar te moede
    terwijl jij al dansend de angst
    leegslurpt als een oester
    en elk verlangen naar een schaduw leidt.

    Zo vind ik onderkomen in je dans
    je pirouette waarin ik
    als een lachende lazarus
    verdwijn en mild herboren word.


    MIDDELHEIM

    Ach, ik weet dat droefheid oudmodisch is
    en dat de dood in witte kamers
    ontkleed en o zo zichtbaar wordt.

    Witte jassen vol spaarzame wetenschap,
    huurrijtuigen van ziekte en ongeduld,
    harde foto's:
    alles ademt het voorspelbare uit.

    Net zoals de blikken van familieleden,
    hun laatste woorden die 
    in je geheugen gegrift staan,
    sinds je geboorte.

    Ach, ik weet dat droefheid oudmodisch is
    maar met minder woorden dan bloemen vermoeden
    verraad je me hoezeer de verloedering
    je droef stemt en eerst sterven doet.


    JEUGDHERINNERING

    Elk banket was met boterletters versierd.
    Wij stonden met spoorboekjes van suiker 
    de weg uit te stippelen naar het goud.

    En naar de koningen van het regenwoud
    terwijl elk offer verdween in het duister
    als een klapzoen in viervoud.

    Elk gebaar was als een stukje ramenas
    elk gebakje uitgemonsterd met room
    waarin jouw wijsvinger verdween.

    Als in een vlaag van verlichting
    of misschien wel met een vleugje waanzin,
    zo onzichtbaar wees je naar een land
    waarin de zon als in een droom 
    en met steeds meer hunkering herrees.


    OPEN EINDE

    Niet de werkelijkheid is waar
    maar de legende, het navertelde.
    Het onwaarachtige.
    De lenigheid van de leugen.

    Niet de engel des verderfs
    is het verval, het einde.

    Want in elk begin van beminnen
    schuilt een aarzeling, een halve waarheid,
    die de adem beneemt.
    Als nooit tevoren.

    Zoals je rakelings voorbijkwam,
    tegentijds en schrijlings
    vol tegendraads verlangen:
    een voorbijgaan zonder ogenblik.


    MOMENTOPNAME

    Zij zat rechtop in de spiegel,
    zachtjes huilend, 
    het hoofd lichtjes afgewend.

    Die avond bij zonsondergang,
    nam ik, doorheen het venster,
    een naaktfoto van haar.
    Al bevend.

    Langzaam keek zij om en zag
    hoe een kievit in de tuin
    knipoogde en opvloog:
    een gelukkige stip
    in de terracotta-kleurige horizon.

    De zon zonk in haar ogen
    als in een oude Griekse droom.

    En met de droom liep ik
    in de nacht de vrijheid achterna:
    gelouterd, voornaam en tijdeloos.


    VERZWEGEN VERLEDEN

    Niet zelden en steeds omwille van jou
    verzweeg ik het verleden
    tegen de hele wereld en beter weten in.

    Zo werd ik diegene die 
    zich mooi sliep aan je zij,
    in een niemandsland zonder tijd.

    Het verleden: een vuistslag in het water.
    de domme kracht van zelfbeklag.

    En al die zaligheid in de tuin,
    waarin laurier je lichaam nageurde.
    Je grote, mooie, opengesperde ogen
    en al die wijsheid die erin 
    besloten lag.


    EENZAAM

    De stilte die na het spitsuur
    als een zweefvlieguig 
    over de stad neerstrijkt,
    de drukte die als een mondboog
    diep en donker in me natrilt.

    Ik kijk naar tortelduiven in het park
    en wikkel in een oud dagblad
    het grote oog 
    dat ooit de zon zag 
    toen ze nog jong en blij was.

    Dan sta ik op en wandel
    steeds verder,
    bevroren twijgen kruisend.


    HEIMWEE

    Mooi was het jou liefste
    achterover liggend te beminnen
    en toe te kijken hoe jij zwaaide
    naar de kleine zon
    terwijl een purperen vlechtje
    zich handzaam
    uit je haar losmaakte.

    Hoe jij jaren later
    je roze balletschoentjes kuste
    op de rand van een bed.

    En overal hoorde ik verstilde aria's,
    krekels en watervogels
    en muziek van Mozart.


    KLEINE PROFETIE

    Gemompel in zee.
    Alle sirenen verdwijnen nu 
    in het wijnglas van Neptunus.

    En alle woorden worden week
    en sijpelen door in het grondwater
    als mond- en klauwzeer.

    Alleen de dichter
    beleeft zijn kaarse wederhoop
    En spreekt.

    Luister, 
    het zomert.
    Het heelal ligt overhoop
    met oude,
    heel oude bloemen.


    CHAIR-OBSCUR

    De kinderen sliepen zich wezenloos
    de ellebogen tegen elkaar aan
    in de schaduw van een kerselaar.

    Wij liepen op de handen en voeten
    een vleugje geluk achterna,
    een Chagallblauwe zeepbel
    die in tegenlicht en tergend langzaam
    neerdwarrelde.

    Donkermooi was het toen.
    De avondklokken luidden.
    Katten krolden en jij mijn liefste
    lachte languit om het leven
    en strandde
    midden in de omarmende man,
    die in mij tot leven kwam.




    POÈTE MAUDIT

    Elke stap van de gedoemde dichter
    is slechts in een andere wereld hoorbaar.

    En terwijl het lijden allengs
    over de pijngrens steigert
    koestert hij
    een oertaal stamelend
    de eenzame injektienaald,
    de laatste belladona
    in het licht van de dood.


    VERGEEFSE MOEITE

    Voortvluchtig is het gedicht
    zelfs na de zestiende versie:
    een fata morgana
    waar je stil en bezeten van wordt.

    Een vers
    waarin woorden elkaar bevechten
    en beelden halsstarrig weigeren
    om samen in zee te gaan.

    De inkt bevlekt het linoleum.
    De dichter werkt zich een aap
    de manuscripten raken
    onder bier en boter bedolven.

    Maar het gedicht blijft
    buiten beeld,
    donker en onnavolgbaar.


    BASSO CONTINUO

    Je okselhaar en het duister parfum
    van je lichaam. Mijn vingertoppen:
    een basso continuo
    in bladstille vervoering.

    Zoals alles wat bewoog
    tussen wat eender was en altijd anders,
    tussen hemel en aarde en al het andere
    dat alleen werkelijk was. Werkelijk alleen.

    Een eenzamheid nauwelijks te omarmen.
    Zoals de dood, wanneer alles anders wordt:
    het spreken, der mensen, de laatbloeiende dille,
    het genot, het verval, de tijd, het einde.
    Wanneer liefde zuivere stilte wordt.

    En werkelijk,
    alleen in een dergelijk ogenblik,
    was ik voor eenmaal niet werkelijk alleen
    en had je lief.


    RÊVERIE

    Ongedeerd bleek je lichaam
    tussen wat gisteren was
    en het misschien dat nergens is.

    Onveranderd 
    in de vergetelheid van de bergen,
    waar op de rand van zon en sneeuw
    een bergkristal zijn naam verandert
    onder het alziend oog
    van een oude god.

    Waar tussen licht en duisternis
    de tijd als bergijs neersijpelt
    en in het voorbijgaan
    elke gletscher kust.
    Als een naamloze herinnering.

    Dan kom ik naar je toe, gedragen,
    door ijle bergwind en oktobermist.
    En heb je lief. Als een eeuwigheid.



    VOGELWAARDE

    Hoe ik tussen tabakswalmen
    naar een glas bier tastte.
    Als naar een reden van bestaan.

    De oude zoldertrap,
    die naar de slaapkamer leidde,
    in een gedempt, verlaten en als het ware goudzoekend licht,
    zweeg als een kleine eeuwigheid.

    Eindeloze tarwevelden,
    wiegend lijnwaad, gene zijde:
    de horizon als bewolkte begeerte.


    FEHLLEISTUNG

    Wat zich laat zien: koud raakvlak.
    Draagvlak, balk,
    onontgonnen tederheid.

    Splinters in de ogen.
    Betekenis verschroeid.

    Wat niet ziel tot ziel kon spreken
    komt overhoeds terig
    als een trekharmonika in de nacht,

    een lichte vergissing
    die sist als een adder
    in het beduimelde en hijgende gras.


    NOCTURNE

    Hoe de nacht me vertrouwd is!
    Hoezeer elke vallende ster
    een gedachte van me is
    terwijl de uil van Minerva
    op het staketsel neerstrijkt
    van wat onuitgesproken bleef:

    het denken tot heimwee wordt
    aan mijn lippen ontvalt
    als een vlinder.


    DE KIKKERKONING

    Als de kikkerkoning recht spreekt,
    dan is het zo stil
    dat embryo's stokken in hun slijmvlies
    en elke vaas uit pure spanning breekt.

    De weefsels van zijn denken
    spreiden zich als spinrag uit
    terwijl hij voor het ingewikkelde netwerk
    van de rechtspraak zit:

    nog nooit zag men hem zo oud,
    met ogen, uitpuilend van twijfel,
    en een stem die rochelt in onzekerheid.


    DE DIFFUSE KIKKER

    Het kleine had hij lief
    omdat het zo groot was.
    Het grootste had hij lief
    omdat het zo nietig was,
    zoals de altijd schijnbaar klamme begonia's
    zo weinig om er iets over te zeggen
    en praten wou hij niet.


    NAAKTFOTO

    Ongenaakbaar pronk jij
    als een diepmooie larve
    in een interieur
    dat naar lindebloesems ruikt.

    Alsof jij al jaren
    op een bevructing wacht
    en op rechterlijk bevel
    je lach hebt ingesponnen.

    Terwijl je zoveel geluk
    aanwijsbaar hebt gemaakt:
    je sfinksachtige ogen
    en je buik die glanst
    als van een danseuse 
    die loom en moegedanst
    achterover leunt.

    Het is vier uur in de namiddag
    als ik me van je afwend
    en je steeds weer
    in mijn handen voel sidderen
    en overal weerspiegeld zie.


    MONDDOOD

    Langs heuvelruggen scheert ijlings
    de wind als verdoolde muziek,
    de sneeuw in het oogwit
    van een krankzinnige merel.

    Waar geen sneeuw bleef liggen
    groeien hersenschimmen
    in heftige woordenstrijd
    verwikkeld,
    als dieren zonder kop
    in de vernederende duisternis.

    Kort en bondig als het voorspel tot onmondigheid:
    de taal in een nacht 
    zonder beeld en betekenis.


    ONTTOVERING

    Ik wil de waarheid niet
    noch het leven. Me niet kwetsen
    aan wat verheven is.

    Toen je het open boek zag
    dat naast me lag
    las jij verbaasd hoe elke
    religie een leugen is,
    waaraan men zich barbaars genas.

    Ook de liefde wil ik niet ontleden,
    tot op het bot, ten voeten uit.

    Want als ik haar ontkleed
    zie je beslist 
    hoe alles er nog is
    en tegelijkertijd verdwenen is.


    LOTSBESTEMMING

    Sprakeloze beelden:
    een meeuw uit het plioceen.

    Alles lijkt versteend.
    Alleen ik verander
    nu en dan
    een ogenblik.


    OPDRACHT

    Klauter de stilte, droom het plafond
    weg. Droom de aarde in driehoeken duisternis.
    Volg de aders in de lengte van mijn hand.
    Spin als een poes de zon tot mijn hart.

    Geen gedicht is alleen bedacht.
    Elk gelaat is een weerlos station.
    Een afstand, een verkleumde mimiek.
    Klauter de stilte, verdroom het plafond.


    EEN RADELOZE MINNAAR

    Spin mij tot een weefsel van sneeuw,
    huid en ogen, 
    een wonder van communicatie.

    Leer mij hoe ik struikelen moet
    en verdrinken in je schaduw
    met honderd traktaten over liefde
    lijden en rustig zwemmen.

    Kneed mij tot een foetus in de zee,
    nijdig, kwaad om de oerbestemming:
    een nukkig voorteken,
    een olijfgroen offerdier.


    ZELDZAAM IS DE DANS

    Zeldzaam is de dans
    die van zee naar branding
    van branding naar liefde
    van de liefe leidt naar de vrouw.

    Want allerwegen wentelt de dans 
    om haar eigen as:
    luchtledig als het eigen ego
    dat als een boot wegzinkt
    in het vragende water.

    En steeds is er het vuur
    dat wegsterft
    in de aarzelende dageraad.

    Steeds is er het dansspoor 
    dat nog warm is
    van een handvol dromen.


    Tâche de beauté

    Eindeloos gepieker
    naborduren in de nacht
    waarin de nachtschone en haar geur
    met de ijle mist wedijvert.

    Totdat het zweet mijns aanschijns
    vervluchtigt als ether
    in je handen vol begrip.

    En mijn angst kleiner wordt
    dan je kleine, nauwelijks tastbare
    tâche de beauté.


    CHUANG-TZU

    Droomde zo hard
    dat hij een vlinder was
    zodat hij bij het ontwaken
    niet meer wist
    of hij een mens was
    die droomde 
    dat hij een vlinder was
    of een vlinder
    die droomde
    dat hij een mens was.


    NACHT EN ONTIJ

    Verbijsterd krijs ik
    in het amber van de nacht
    als een vuurvogel.

    De taal: een lichaam
    waar ik blond en bezeten 
    tederheid in kras.

    Of het verdriet 
    als een clandestien gebaar
    van een afvallige vrouw.

    Met in mijn zij:
    de nachtschade, de handpalm
    en de wijsvinger van de razernij.


    WINTER TE ESSEN

    Altijd weer ontmoet ik 
    dezelfde bomen, takken,
    schaduwen uit een vorig leven.

    Elke voetstap een herinnering,
    een ogenblik van waarheid
    terwijl de schaduw meestapt
    en de leugen belichaamt.

    Alsof ik ooit zou kunnen zien:
    de polsslag van de bedachtzame akkers,
    die als een spier verlamt.

    Of de hartslag van de leeuwerik,
    die wegtikt
    in de schaamteloze horizon.


    OP EEN AVONDTREIN

    Weerspannig wiegen lampions
    in het landerig halfduister,
    dat boven Lage Zwaluwe hangt.

    Voor mij een oude heer
    met bolhoed en navenant toebehoren
    die naar buiten staart
    en zich verliest in de vrieskou
    als in een onvatbare hangmat.

    Kon ik maar in de grote kou verdwijnen,
    zo denk ik dan,
    als een zwaluw laag over de grond
    en een lichaam dat wedijvert
    met de wegrijdende wind
    en alle wetten van de zwaartekracht.


    EEN ZACHTMOEDIGE NIHILIST

    Verloren
    de bijeengesprokkelde momenten
    van betekenis:
    de zachtmoedige kantjes van de taal.

    Doordenkend op het kluwen der liefde
    ontmoet ik het door-de-weekse mededogen
    in de klanken van een oud madrigaal.

    Dit is de oogst, het verlangen
    van wat overbleef. Te staren
    naar het stamelend gebaar
    van een eenzame danser in een lege zaal.


    ONCONTROLEERBAAR IS MOOI

    Het triumviraat der wachtende vissen:
    de dolfijn, de zwaardvis,
    een koude, kale kabeljauw.

    Iemand belegt in water,
    schrijft het bladgoud af.

    Ergens is er een geluid 
    in het woord 'vooraf',
    of 'later', of 'wat nadien gebeurde'.

    Zoals in de deposito's
    waarin stilte heerst
    en vissen niet langer wenen:
    hun dood is mooier
    dan het groene oog van een blonde god.