• NL
  • ENG
  • Home
  • Boeken
  • Publicaties
  • Poëzie
  • Nieuws
  • Biografie
  • Links

  • Een poëtica van de ruimte

    Enkele basismotieven in het werk van Sarah Westphal

    O Haus, o Wiesenhang, o Abendlicht,
    auf einmal bringst du's beinah zum Gesicht
    und stehst an uns, umarmend und umarmt.

    Uit: Es winkt zu Fühlung fast aus allen Dingen (1914)

    Rainer Maria Rilke

    I
    Het werk van Sarah Westphal is heel nadrukkelijk plaatsgebonden en doordrongen van een zeer bijzondere soort van topofilie. Zij houdt van ruimten, vooral verlaten ruimten zoals oude, niet langer bewoonde huizen. Het lege huis is haar favoriete biotoop. Ze treedt het godvergeten, vervallen huis binnen als een archeoloog van de psyche, graaft in de ziel van dat huis door de vaak al vergane stoffelijkheid ervan nauwkeurig te onderzoeken. Door laag na laag weg te schrapen, legt ze het verleden geleidelijk aan bloot. Stap voor stap brengt zij de onderhuidse atmosfeer van het huis, zijn levende geheugen aan de oppervlakte.

    Het onderzoek van een leegstaand huis wordt op die manier een ontmoeting met de vroegere bewoners ervan. En wat Sarahs betrachting zo rijk en intrigerend maakt, is dat ze deze bewoners uit vervlogen tijden tegemoet treedt doorheen de materiële sporen in het huis: het behang, de vlekken op de vloer, het licht dat door de ramen valt, de verbleekte gordijnen, de barsten in de muren, de verftinten. Het is alsof ze zachtjes in voorbije levens doordringt, levens die anders onherroepelijk in de vergetelheid zouden zijn geraakt.

    Sarahs aanpak doet eerst en vooral denken aan de manier waarop paleografen de zichtbare tekst van een palimpsest wegschrapen om de tekst eronder bloot te leggen. Ook architecten gebruiken het woord palimpsest om de materiële geschiedenis van een bebouwde ruimte te onthullen. Als ruimtes worden veranderd, aangepast of verbouwd, blijven er altijd materiële sporen achter. Door deze sporen te onderzoeken, ontbloot Sarah gestadig en letterlijk de verborgen geschiedenis van het gebouw. Ze reconstrueert wat onder het oppervlak van de ruimte zit.

    II

    In de tweede plaats houdt Sarahs onderzoek een diepgaande meditatie in, een zoektocht naar de aard van het geheugen. Bij het bestuderen van de sporen treedt ze de wereld van de vroegere bewoners, de schaduwen van het verleden binnen. Op die manier wordt niet alleen de ruimte maar ook de tijd nieuw leven ingeblazen. Plotsklaps breekt ze het ijs van de bevroren tijd, daarbij het mentale landschap van de vroegere bewoners blootleggend, wat voelbaar wordt als een levende aanwezigheid, een aanwezigheid die niet het hele verhaal vertelt maar optreedt als een tastbare afwezigheid. De ruimte wordt het nu, het sublieme moment van een geestverschijning, een heel universum dat in wezen onuitsprekelijk is.


    III

    Ten derde worden de innerlijke landschappen van Sarah zelf geprojecteerd in de ruimte, de mentale ruimte, de stille verhalen van de doden. Reeds Bachelard benadrukte het: we ‘huisvesten’ niet alleen onze herinneringen maar ook de dingen die we vergeten zijn: ‘Onze ziel is een verblijfplaats. En doordat  we ons ‘huizen’ en ‘kamers’ herinneren, leren we om in onszelf te ‘verblijven’. Alles wordt nu duidelijk, de huizenbeeldspraak werkt in beide richtingen: de beelden zitten evengoed in ons als wij in hen (…)’ (Bachelard, The Poetics of Space, Boston, 1994, p. xxxvii). Meer dan wie ook is Sarah zich bewust van deze sublieme wisselwerking tussen enerzijds de zoektocht naar de psyche van een plaats en anderzijds de wijze waarop wij onze eigen ziel, onze verbeelding, onze sensibiliteit projecteren in haar ruimte. In die zin is zij zich er goed van bewust dat ze een indringer is, iemand die zich de ruimte toe-eigent. Soms houdt deze interventie minieme veranderingen in, al komt het ook voor dat de ingreep de esthetiek van het verborgene overstijgt.

    Ze doet echter meer dan zich het huis toe-eigenen, ze herschept en herverbeeldt het. Ze voegt voorwerpen toe aan de ruimte, een legplank bijvoorbeeld, of foto’s aan de muur, waarmee ze een optische illusie of trompe l’oeil creëert. Soms maakt ze gebruik van projecties, soms bedekt ze de ruimte en de voorwerpen met doeken. Hierbij ‘ervaart ze het huis in zijn realiteit en virtualiteit, via gedachten en dromen’ (Bachelard, p. 5). Ze weet dat ‘het huis dagdromen huisvest en de dromer beschermt, het huis laat het toe dat we ons in alle rust aan dromen kunnen overleveren’ (Bachelard, p.6). Sarah getuigt met haar kunst dat ‘het huis een van de sterkste krachten is die toelaat dat de mens zijn gedachten, herinneringen en dromen integreert’ en dat ‘alle hoeken en kanten van het huis een rustplaats voor dagdromen kunnen zijn’ (Bachelard, pp. 6 & 15). Dankzij de subtiele ingrepen en de dromerige atmosfeer transfigureert zij letterlijk de alledaagse ruimte.

    IV

    De transfiguratie van de ruimte is zodoende altijd geworteld in een huiselijke sfeer. Een van haar eerste projecten draagt de titel Heimsuchen, een Duits woord dat letterlijk ‘zoeken naar een thuis’ betekent en noties van bescherming, veiligheid en vrede in zich draagt. In dezelfde geest verwees Heidegger naar het Duitse einfrieden, wat letterlijk ‘omsluiten’ betekent en het woord Friede, i.e. 'vrede’ bevat. Sarah Westphal gaat echter in vele opzichten heel wat verder: een huis is bij haar meer dan een besloten plaats of ruimte.

    Ze bereikt dit precies door de wisselwerking en de tussenruimte te onderzoeken, waarmee meteen het vierde en laatste aspect van haar aanpak wordt belicht. Sarahs werk gaat niet alleen over de wisselwerking tussen reconstructie en constructie, maar het bevraagt en deconstrueert de scherp omlijnde tegenstellingen tussen heden en verleden, aanwezigheid en afwezigheid, feit en fictie, het zichtbare en het onzichtbare, het zelf en de ander. Op een meer technisch en vormelijk niveau deconstrueert ze het onderscheid tussen de twee- en de driedimensionale wereld, tussen het materiële en het immateriële, tussen binnen en buiten. Deze deconstructivistische invalshoek liet haar toe sommige van de voorwerpen of scènes in een nieuw kader ten toon te stellen en ze aldus opnieuw te onderzoeken als op zichzelf staande, esthetische objecten. Tegelijkertijd gaf het haar de mogelijkheid om te focussen op de soms verrassende schoonheid van versleten materialen en ons te confronteren met het licht dat door de ramen valt, een licht dat ons altijd en onontkoombaar toont hoe en waarom de buitenkant de binnenkant van de kamer beïnvloedt: een esthetische ervaring en poëtica van de ruimte zonder weerga.


    Antoon Van den Braembussche